Wekelijkse overdenking
Vrede
Ik heb het woord vrede een tijd niet gebruikt.
Het leek banaal, alsof je naast een brandend huis begint over bellenblaas, de regenboog in glanzend sop.
Ik begon te geloven wat verkondigd wordt door een bepaald soort man: Si vis pacem, para bellum,

wie vrede wil, moet zich op oorlog voorbereiden.
Sommige echo’s blijven maar weerkaatsen.
Pacem die om bellum vraagt; parabellum de naam van een beroemd pistoolpatroon. Soms helpt het om in woorden af te dalen,
ze via hun wortels opnieuw te verstaan. Voor Romeinen was pacem een pact, een afspraak, wapenstilstand.
Vrede – van frithu, Oud-Germaans, verwant aan vriend en vrijheid – beschrijft een toestand:
gemeenschapszin, een groep die zich via verbindingen beschermt.
Sinds ik dit weet, mis ik de vrede als woord, als klank, steekt haar afwezigheid in de dagelijkse stroom van taal.
Vrede.
Zoals elke combinatie van letters een toverspreuk; de scheppende kracht afhankelijk van hoe vaak en luid ze klinkt.
Sinds ik dit weet heb ik zin om vrede te zeggen, voortdurend, tegen mensen, vogels, water.
Wie vrede wil, moet zich op vrede voorbereiden, ook in oorlogstijd.
Iemand helpt, deelt, sust, zingt en even glinstert,
als in een zeepbel, het hele spectrum van kleur.
Bij het gedichte schreef de dichteres Marjolijn van Heemstra een opmerking om verder over na te denken,
‘’Bij alle oorlogstaal heb ik behoefte aan woorden die een andere wereld schetsen, waarin oorlog geen tegenhanger is van vrede,
niet een andere kant van de medaille.
Wie vrede wil, moet werken aan vrede en ik zou willen dat daar meer over gepraat en geschreven werd, in plaats van ons de oorlog als
onvermijdelijk te presenteren.”
Groet.
Ds. Jils Amesz, ds@wingerdkrimpen.nl
terug


.jpg)




.jpg)
