Wekelijkse overdenking
Hé Galileeërs!
In de vroege ochtend, wanneer de wereld nog stil en breekbaar aanvoelt, staat Maria bij het graf.
Haar hart is zwaar van verlies, haar ogen gevuld met tranen.
Ze zoekt haar meester, maar vindt slechts leegte.
Twee engelen zitten op de plek waar hij lag, maar hun aanwezigheid dringt nauwelijks tot haar door.
Want wat betekenen woorden van troost als degene van wie je houdt verdwenen is? Haar verdriet klinkt door in haar antwoord:
ze weet niet waar hij is, ze is hem kwijt.
Dan staat daar een man. Ook hij stelt haar vragen, maar Maria herkent hem niet.
Pas wanneer hij haar naam uitspreekt—“Maria”—breekt het licht door. In dat ene woord ligt herkenning, nabijheid, leven.
Het is Jezus.
Haar vreugde is onmiddellijk en intens; ze wil hem vasthouden, hem nooit meer verliezen. Maar juist dan klinkt het onverwachte:
“Houd me niet vast.” Het is een moment vol spanning en betekenis. Liefde blijkt niet iets dat je kunt grijpen en bewaren.
Wat werkelijk leeft, vraagt om ruimte. Geloven betekent hier: leren loslaten zonder te verliezen.
Even later staan de leerlingen samen, luisterend naar Jezus’ laatste woorden. Hij spreekt over een kracht die zal komen, een Geest die hen zal dragen en leiden—niet alleen dichtbij, maar tot aan de randen van de wereld.
Dan gebeurt het ongrijpbare: hij wordt opgenomen in een wolk en verdwijnt uit hun zicht.
Hun ogen blijven omhoog gericht, alsof ze hem nog kunnen volgen. Maar zien, horen, aanraken—dat kan niet meer.
Ze blijven staan, gevangen tussen hemel en aarde, tussen wat was en wat komt. Totdat een stem hen wakker roept: “Wat staan jullie naar de hemel te kijken?” Die vraag snijdt door hun verstilling heen. Het is een oproep om terug te keren naar waar ze werkelijk horen:
niet in het verlangen naar boven, maar in het leven hier en nu.
Ze worden aangesproken als mensen van hun eigen plek, hun eigen wereld.
Langzaam begint het besef te groeien. Jezus is niet verdwenen, maar op een andere manier
aanwezig.
Niet zichtbaar, maar voelbaar in herinnering, in woorden, in wat hen van binnen beweegt.
Samen zoeken ze naar betekenis. Ze praten, bidden, wachten. In die gedeelde zoektocht ontstaat iets nieuws: geen tastbare zekerheid,
maar een innerlijke kracht die hen richting geeft. Ze ontdekken dat ze hem niet hoeven te vervangen.
Ze mogen zichzelf zijn—gewone mensen, ieder met een eigen stem en eigen gaven. De één spreekt, de ander handelt.
De één zingt, de ander helpt in stilte. Juist in die verscheidenheid leeft zijn boodschap verder.
De blik verschuift van de hemel naar de aarde. Niet daarboven, maar hier begint hun weg. De vraag blijft nazinderen: waarom blijven kijken naar wat verdwenen is? Het leven roept hen vooruit. In het alledaagse, in elkaar, in hun eigen omgeving ligt hun opdracht.
En zo gaan ze verder, aarzelend maar vastberaden. Zonder Jezus in hun zicht, maar met zijn Geest in hun midden.
Ze leren dat loslaten niet hetzelfde is als verliezen. Dat wat onzichtbaar is, kan juist diep aanwezig blijven.
En in dat groeiende inzicht vinden ze houvast, richting en hoop.
Groet.
Ds. Jils Amesz, ds@wingerdkrimpen.nl
In de vroege ochtend, wanneer de wereld nog stil en breekbaar aanvoelt, staat Maria bij het graf.
Haar hart is zwaar van verlies, haar ogen gevuld met tranen.
Ze zoekt haar meester, maar vindt slechts leegte.
Twee engelen zitten op de plek waar hij lag, maar hun aanwezigheid dringt nauwelijks tot haar door.
Want wat betekenen woorden van troost als degene van wie je houdt verdwenen is? Haar verdriet klinkt door in haar antwoord:
ze weet niet waar hij is, ze is hem kwijt.
Dan staat daar een man. Ook hij stelt haar vragen, maar Maria herkent hem niet.
Pas wanneer hij haar naam uitspreekt—“Maria”—breekt het licht door. In dat ene woord ligt herkenning, nabijheid, leven.
Het is Jezus.
Haar vreugde is onmiddellijk en intens; ze wil hem vasthouden, hem nooit meer verliezen. Maar juist dan klinkt het onverwachte:
“Houd me niet vast.” Het is een moment vol spanning en betekenis. Liefde blijkt niet iets dat je kunt grijpen en bewaren.
Wat werkelijk leeft, vraagt om ruimte. Geloven betekent hier: leren loslaten zonder te verliezen.
Even later staan de leerlingen samen, luisterend naar Jezus’ laatste woorden. Hij spreekt over een kracht die zal komen, een Geest die hen zal dragen en leiden—niet alleen dichtbij, maar tot aan de randen van de wereld.
Dan gebeurt het ongrijpbare: hij wordt opgenomen in een wolk en verdwijnt uit hun zicht.
Hun ogen blijven omhoog gericht, alsof ze hem nog kunnen volgen. Maar zien, horen, aanraken—dat kan niet meer.
Ze blijven staan, gevangen tussen hemel en aarde, tussen wat was en wat komt. Totdat een stem hen wakker roept: “Wat staan jullie naar de hemel te kijken?” Die vraag snijdt door hun verstilling heen. Het is een oproep om terug te keren naar waar ze werkelijk horen:
niet in het verlangen naar boven, maar in het leven hier en nu.
Ze worden aangesproken als mensen van hun eigen plek, hun eigen wereld.
Langzaam begint het besef te groeien. Jezus is niet verdwenen, maar op een andere manier
aanwezig.Niet zichtbaar, maar voelbaar in herinnering, in woorden, in wat hen van binnen beweegt.
Samen zoeken ze naar betekenis. Ze praten, bidden, wachten. In die gedeelde zoektocht ontstaat iets nieuws: geen tastbare zekerheid,
maar een innerlijke kracht die hen richting geeft. Ze ontdekken dat ze hem niet hoeven te vervangen.
Ze mogen zichzelf zijn—gewone mensen, ieder met een eigen stem en eigen gaven. De één spreekt, de ander handelt.
De één zingt, de ander helpt in stilte. Juist in die verscheidenheid leeft zijn boodschap verder.
De blik verschuift van de hemel naar de aarde. Niet daarboven, maar hier begint hun weg. De vraag blijft nazinderen: waarom blijven kijken naar wat verdwenen is? Het leven roept hen vooruit. In het alledaagse, in elkaar, in hun eigen omgeving ligt hun opdracht.
En zo gaan ze verder, aarzelend maar vastberaden. Zonder Jezus in hun zicht, maar met zijn Geest in hun midden.
Ze leren dat loslaten niet hetzelfde is als verliezen. Dat wat onzichtbaar is, kan juist diep aanwezig blijven.
En in dat groeiende inzicht vinden ze houvast, richting en hoop.
Groet.
Ds. Jils Amesz, ds@wingerdkrimpen.nl
terug


.jpg)




.jpg)
